Prototype

Waarom spelers zelden met hun trainer praten

Spelers die ergens mee zitten, stappen zelden uit zichzelf naar hun trainer. Onderzoek laat zien waarom, en dat de trainer daarbij zwaar weegt, als drempel en als steun. Wat hoort er dan bij jouw rol, en wat weten we over trainingen voor coaches?

Een vol team, en toch niemand om het tegen te zeggen

Jongeren zeggen zelf dat voetbal hen goed doet. In onderzoek van Motivaction voor de KNVB en Zilveren Kruis zegt 94% van de voetballende jongeren van 16 tot 25 dat sporten bijdraagt aan hun mentale gezondheid (KNVB, februari 2026). Maar over hun mentale gezondheid praat maar 26% met de trainer of coach, tegen 46% met teamgenoten. En 43% weet niet goed hoe je zo'n gesprek begint.

Volgens Zilveren Kruis heeft één op de vijf Nederlandse jongeren mentale klachten (Zilveren Kruis, oktober 2025).

Schaamte, en niet weten wat je voelt

In Australië werden focusgroepen gehouden met 15 topsporters van 16 tot 23 jaar, over wat hen tegenhoudt om hulp te zoeken bij somberheid, angst of stress (Gulliver, Griffiths en Christensen, 2012). Stigma was de grootste drempel. Van de drempels die de sporters zelf opschreven, gingen er 18 van de 41 over stigma, vooral over schaamte en over hoe anderen dan naar je kijken. Met een psycholoog praten over zenuwen vonden ze gewoon, over somberheid niet.

Ook vonden ze het lastig om te herkennen of wat ze voelden een klacht was. In hun rangorde stonden niet weten wat de klachten zijn en niet weten wanneer je hulp zoekt bovenaan. En vermoeidheid van het trainen was lastig te onderscheiden van somberheid. Op de derde plek stond de zorg over wat anderen ervan vinden, en daarbij woog de trainer iets zwaarder dan vrienden, en veel zwaarder dan teamgenoten en familie.

Het is een kleine studie met topsporters, en de gesprekken zijn uit 2008. Maar het patroon past bij wat Nederlandse voetballende jongeren zelf zeggen.

De trainer als drempel en als deur

Bij wat hulp zoeken makkelijker maakt, noemden dezelfde sporters een positieve houding van de mensen om hen heen. Ook daar woog de trainer het zwaarst, ruim boven vrienden, teamgenoten en familie. Aanmoediging helpt volgens hen alleen van iemand die ze vertrouwen, en als het met gevoel gaat.

Sporters vrezen ook dat hulp zoeken speeltijd kost, of dat ze als mentaal zwak worden gezien in een omgeving waar hardheid telt (Bissett, Kroshus en Hebard, 2020). Zo is de trainer drempel en deur tegelijk. Wie over de opstelling gaat, is ook degene van wie een speler het liefst wil horen dat praten mag.

Wat wel bij de rol hoort, en wat niet

Bissett en collega's legden een lijst met gedrag voor aan 15 experts, onder wie coaches, sporters en zorgverleners. De rol die daaruit kwam, heeft drie delen. Een teamcultuur bouwen waarin mentale gezondheid bespreekbaar is, spelers aanmoedigen hulp te zoeken, en een speler steunen die al hulp krijgt.

Concreet gaat het om geen taal gebruiken die psychische klachten of hulp zoeken wegzet, en uitspreken dat hulp zoeken geen invloed heeft op de opstelling, tenzij een bevoegde hulpverlener voor mentale gezondheid dat adviseert. Ook hoort erbij dat je eerlijk zegt wat je wel en niet kunt doen als een speler iets vertelt, en dat je de privacy van die speler bewaakt. En om een speler die even niet meedoet, bij het team te blijven betrekken.

Behandelen hoort er niet bij. Wanneer een speler na een moeilijke periode weer volledig meedoet, hoort volgens de onderzoekers een bevoegde hulpverlener voor mentale gezondheid dat te bepalen, niet de trainer. Ook de KNVB noemt een coach in de eerste plaats voetbalcoach en geen professionele hulpverlener (KNVB Rinus).

Over het nut waren de experts het eens. Over de haalbaarheid van een deel twijfelden ze, door tijdgebrek, de druk om te winnen en sportorganisaties zonder beleid voor mentale gezondheid. Volgens de onderzoekers kan een trainer daarvoor steun van de organisatie nodig hebben. En het blijft een consensus op basis van mening, met onderzoek dat vooral over universiteitssport ging.

Wat trainingen voor coaches laten zien

Werkt een training voor trainers? Het bewijs is dun. Een systematisch overzicht vond tien studies naar programma's over mentale gezondheid voor sporters, coaches en scheidsrechters (Breslin en anderen, 2017). Een deel liet meer kennis zien, of meer vertrouwen om iemand door te verwijzen. Maar zeven studies hadden een hoog risico op vertekening, en maar twee waren gerandomiseerd. Of deelnemers daarna echt vaker hulp zochten of boden, werd nauwelijks gemeten, en in geen enkele studie gevonden.

Een groter onderzoek bij gewone sportclubs in Australië testte Ahead of the Game, voor jongens van 12 tot 17 jaar (Vella en anderen, 2021). Er waren workshops voor de jongens en hun ouders, en een traject voor coaches over hoe je spelers het gevoel geeft dat ze zelf keuzes hebben, iets kunnen en erbij horen. Er deden 350 jongens mee, en 466 jongens in een vergelijkbare regio vormden de vergelijkingsgroep. Vergeleken met de andere regio wisten de deelnemers een maand na afloop meer over somberheid en angst, waren ze vaker van plan hulp te zoeken bij een professional, en scoorden ze hoger op veerkracht en welzijn. Op stigma en psychische klachten vond het onderzoek geen verschil.

Er was geen loting, de meting was kort na afloop, en bij hulp zoeken ging het om voornemens, niet om wat de jongens later echt deden. Er deden maar acht coaches mee, en maar één rondde het hele traject af, en welk deel werkte, is niet te zeggen.

Waarom dit ertoe doet

Het beeld is niet compleet, maar wel consistent. Veel jongeren beginnen niet zelf over hoe het gaat, en bij de trainer nog minder. En de trainer weegt zwaar, als iemand van wie je bang bent wat die denkt, en als iemand van wie een positief woord veel opent.

Dat een trainer geen therapeut is, maakt de rol niet kleiner. Het gaat om een team waarin een slechte week net zo bespreekbaar is als een blessure, om een trainer die laat merken dat hulp zoeken bij een goede speler past, en om een plek in het team voor wie hulp krijgt. Dat hoort bij waar jeugdvoetbal om draait, het beste uit kinderen halen, op het veld en daarbuiten. Dat trainingen voor coaches nog weinig bewijs hebben, is een reden voor bescheidenheid, niet om het te laten.

Bronnen

Geschreven door de redactie van aanspeelpunt [TE BEVESTIGEN] Inhoudelijke check door de sportpsycholoog [NAAM]

Van lezen naar doen

Dit soort momenten oefenen trainers, coaches en ouders in de modules van aanspeelpunt Per vraag een korte video, een oefening voor dezelfde week en vragen om het gesprek te openen.

Werkt je club er al mee, dan heb je als trainer toegang. Zo niet, vraag je jeugdcoördinator om een demo.

Modules die hierbij passen

Meer langs de lijn

  1. Een seizoen aan de bestuurstafel

    Een trainer vraagt de jeugdcoördinator bij wie ze terechtkan met een zorg, en niemand in het bestuur weet het antwoord.

    Uit de praktijk Voor bestuur en jeugdcoördinator 6 minuten lezen

  2. Waarom kinderen stoppen met voetbal, en wat een club in handen heeft

    Elk seizoen stoppen er kinderen bij je club, en vaak hoor je niet waarom. De KNVB vroeg het bijna 30.000 gestopte voetballers.

    Achtergrond Voor bestuur en jeugdcoördinator 5 minuten lezen